onderzoeken

Bij galactosemie zijn er zijn problemen met leren, bewegen, taal en spraak, sociale vaardigheden, maar ook met de vruchtbaarheid en de botopbouw. De klachten verschillen per persoon en ook de ernst van de klachten verschilt. Waarom deze verschillen bestaan, is nog niet duidelijk.

Zoals u ziet is het onderzoeksgebied niet alleen zeer breed, er is ook nog maar weinig bekend over het deel van het stofwisselingsproces waar het bij galactosemie-patiënten fout gaat. Dit betekent dat er enerzijds duur fundamenteel onderzoek gedaan moet worden in Academische ziekenhuizen en laboratoria, anderzijds is er ook behoefte aan praktisch onderzoek op het gebied van logopedie, dieet, voedingsmiddelen, verstandelijke ontwikkeling, enz.
Veel onderzoek is nog nodig, zowel naar de oorzaken als naar mogelijk therapieën om om te kunnen gaan met de gevolgen van Galactosemie. Het Universitair Medisch Centrum in Maastricht en het Amsterdam Medisch Centrum zijn gespecialiseerd en voeren onderzoek naar Galactosemie uit (in samenwerking met collega’s in Europa en Noord-Amerika (European Galactosemia Network (EGN).
Een beschrijving van alle lopende en afgeronde onderzoeksprojecten die met het geld van het GOF zijn (mede-) gefinancierd vind u hieronder. In 2014 hebben wij met steun van velen € 26.699 uit kunnen geven aan onderoek, in 2015 € 32.500,-.

Lopende onderzoeken

Capaciteiten Profiel 2015

Door middel van een persoonlijk interview de klachten bij patiënten in kaart brengen. De resultaten van dit onderzoek zijn nog niet bekend.

 

 

Zebravismodel
Titel: Ovary and brain damage in galactosemia despite diet: development of a zebrafish model to better understand diseas mechanism and test new therapies (pilot)
Door: M.E. Rubio-Gozalbo, Britt van Erven(PhD student), e.a., UMC Maastricht
Doel: Een goed zebravismodel ontwikkelen dat meer inzicht verschaft in hoe en wanneer eierstokfalen en leer- en taalmoeilijkheden ontstaan.
Methode: Generaties zebravissen GALT enzym uitschakelen (Knock out)
Het stofwisselingsproces van galactose in zebravissen is sterk gelijkend op dat van de mens. Een goed diermodel kan helpen om behandelstrategieën te ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is de vraag of enzymvervangende therapie voor galactosemiepatiënten geschikt zou zijn. Dit onderzoek wordt medegefinancierd door Metakids. Zie ook deze link.

 

Afgeronde onderzoeken

Uitkomsten van 8 jaar hielprik screening op Klassieke Galactosemie

Door: Lindsey Welling en Annet Bosch in 2005 verricht.

Lees hier het volledige artikel.

 

Promotieonderzoek Inge Timmers, verdediging proefschrift 25 april 2014, MUMC
Titel: The Brain Speaks: Functional and structural neural correlations of language production impairments in classic galactosemia
Hersenen van patienten met klassieke galactosemie functioneren afwijkend als het om taal gaat. Dit heeft te malen met zowel het bedenken van woorden en het uitspreken ervan. Zo concludeerde Inge Timmers in haar proefschrift:
Meedere leden van de GVN hebben meegedaan aan de diverse onderzoeken naar ‘Cognitie en het brein in klassieke galactosemie’ in het academisch ziekenhuis Maastricht. Hierbij is gebruik gemaakt van EEG en MRI technieken.
Samenvattend hebben we gezien dat kinderen en tieners met galactosemie meer moeite hebben met de taaltaak in vergelijking met deelnemers zonder galactosemie. Dit zagen we zowel in de EEG studie als in de MRI studie.
EEG studie: Het beschrijven van de scenes kostte meer tijd voor deelnemers met klassieke galactosemie, vergeleken met de controle groep. Ook werden er meer fouten gemaakt. In het EEG zagen we al vroeg in het planningsproces verschillen tussen de groepen. Dit startte al vanaf het moment dat de visuele aspecten van de scène worden verwerkt en er een concept wordt gemaakt van wat er beschreven dient te worden. Ook in een aantal volgende fases van taalplanning zagen we verschillen. De verschillen die we zagen worden over het algemeen geïnterpreteerd als dat die processen meer moeite kosten voor de patiënten. Verbaal werkgeheugen speelt hier mogelijk nog een rol bij. Naast het vinden van een aantal verschillen, hebben we ook gezien dat aandacht en visueel geheugen vergelijkbaar zijn tussen de groepen, en dat de verschillen hierdoor dus niet verklaard kunnen worden.
Door dus te kijken naar hersenactiviteit met EEG opnames hebben we een aantal aanknopingspunten gevonden die ons meer informatie geven over de aard van taalproblemen in mensen met galactosemie.
Naast de verbale dyspraxie die vaak wordt genoemd bij galactosemie, geeft dit onderzoek aan dat we ook verder moeten kijken naar de cognitieve planning van taal.
MRI studie: In de functionele MRI studie hebben we gekeken naar welke hersengebieden geactiveerd worden tijdens taalproductie. Over het algemeen waren de netwerken vergelijkbaar tussen de groepen (net als in het EEG). Wel vonden we dat bij de deelnemers met klassieke galactosemie meer hersengebieden betrokken werden tijdens de taak en ook dat de samenwerking tussen de gebieden uitgebreider was. Sommige hersengebieden werden echter minder geactiveerd en de samenwerking hiermee was ook minder. Het rekruteren van meer en extra gebieden betekent doorgaans dat iets meer moeite kost en er dus meer middelen ingezet moeten worden, als een soort compensatie. We zagen dus specifieke veranderingen in het taalnetwerk in de hersenen die te maken hadden met zowel syntactische planning (grammatica, zinsbouw) en met spraak/motorische planning.
Verder hebben we geobserveerd dat de verbindingen tussen hersengebieden (de witte stof) afwijkende eigenschappen vertoonden. De dichtheid van de vezelbundels was bijvoorbeeld lager in de deelnemers met klassieke galactosemie. Dit bleek ook samen te hangen met leeftijd en met sommige cognitieve maten uit het eerste onderzoek. De veranderingen zijn in overeenstemming met afwijkende myeline, de stof die een soort isolatielaag vormt rondom de bundels om de informatieverwerking snel en efficiënt te verlaten lopen. Waarschijnlijk is dit ook een onderdeel van de oorzaak van de problemen op cognitief gebied. Verder onderzoek in een diermodel bijvoorbeeld zal hier meer informatie over kunnen geven.
Al met al hebben we veel informatie verzameld vanuit een nieuw perspectief, omdat dit soort onderzoek nog niet eerder was uitgevoerd in klassieke galactosemie. Met deze informatie hebben we weer nieuwe aanknopingspunten gekregen, onder andere om vervolgonderzoek op te baseren. Belangrijk om te weten is dat we de groep als geheel hebben bekeken en dat dit niets zegt over de individuele deelnemers.

Dieetonderzoek 2004
Titel: High tolerance for oral galactose in classical galactosemia: dietary implications
Door: A.M. Bosch, H.D. Bakker, L.J. Mailette de Buy Wenniger, R.J.A. Wanders, F.A. Wijburg
Publicatie: Archives of Disease in Childhood, 2004

Doel: Onderzoeken of het beperken van kleine hoeveelheden galactose in voedingsmiddelen relevant (nodig) is voor klassieke galactosemiepatiënten.
Aanpak: 3 Volwassen patiënten, die een strikt galactose beperkt dieet volgden, kregen in een periode van 6 weken een toenemende hoeveelheid galactose toegediend, met een maximum van 600mg per dag.
Resultaten en conclusies: Er konden geen significante veranderingen worden gemeten in de klinische en biochemische parameters. Deze bevindingen bevestigen het bewijs dat het weglaten van hele kleine hoeveelheden galactose in de voeding niet nodig is.
Het artikel Hoe giftig is melk is een helder geschreven toelichting van dit onderzoek.(informatie kan verouderd zijn, het artikel is uit 2005)

 

Kwaliteit van Leven, 2004
Titel: Living with Classical Galactosemia. health related quality of life consequenses
Door: A.. Bosch, M.A. Grootenhuis, H.D. Bakker, H.S.A. Heijmans, F.A. Wijburg, B.F. Last
Publicatie: Pediatrics 2004;113(5):e423-8
Doel: Inzicht te krijgen in de gevolgen van het hebben van galactosemie op de “gezondheid gerelateerde Kwaliteit van Leven (HRQoL), op opleidingsnivo en op het hebben van zorgen binnen het gezin.
Aanpak: o.A. HRQoL-vragenlijsten werden gestuurd aan alle 75 leden van de GVN en hun gezinsleden.
Resultaten: 84% respons.